Süskind - vanaf 19 januari in de bioscoop

Media

Het gaat goed met de Nederlandse film: Pleidooi voor een Nederlandse Tax Shelter

Toegegeven het is wel eens anders geweest. Maar het gaat de laatste jaren goed met de Nederlandse film. Wie heeft er niet films als Komt een Vrouw bij de Dokter, Alles Is Liefde, Zwartboek, De Tweeling, Oorlogswinter, Gooise Vrouwen of New Kids Turbo gezien? Met al deze Nederlandse films scoren we tegenwoordig een respectabel marktaandeel van bijna 16% (4,4 miljoen bezoekers) bijeen gebracht door slechts 35 speelfilmtitels per jaar. Terwijl de niet-Nederlandse films meer dan 300 titels nodig hebben voor de overige 84%. Ruimte dus zou je zeggen voor nog meer Nederlandse films. Maar waarom worden die dan niet gemaakt? En waarom moet de Nederlandse film nog gesubsidieerd worden wanneer die zo succesvol is?

Daar aanbod vaak vanzelf ontstaat indien er genoeg vraag is lijkt het antwoord op de tweede vraag het meest interessant. Als je weet dat het Nederlandse film gemiddeld al snel 2,5 miljoen euro kost en een filmkaartje al gauw 3 knaken zou je ogenschijnlijk alleen iets meer dan 300.000 bezoekers nodig hebben om al in de bioscoop break even te draaien. De bioscoop wil echter eerst haar deel. En helaas pindakaas: in Nederland is dat deel dat bioscopen houden bijna het hoogst in de hele wereld zeker voor Nederlandse films: meer dan 62%. Films moeten tegenwoordig ook met veel bombarie uitgebracht worden anders gaat er immers niemand naar toe. Dat kost een beetje. Laten we zeggen 3 ton. Maar met alleen die uitbrengkosten erbij moeten er bijna 1 miljoen bezoekers aan de kassa verschijnen om je geld terug te verdienen. Dat lukt in de gehele markt echter maar 1 of 2 - meestal Amerikaanse - films per jaar.

Natuurlijk zijn er nog extra inkomsten maar daar staan nog veel meer kosten tegenover. De distributeur van de film wil er tenslotte terecht ook nog iets aan verdienen. De kosten zijn dus te hoog en de markt te klein. Dus moeten Nederlandse films gesubsidieerd worden net zoals in heel West Europa. Opvallend daarbij is wel dat de gemiddelde staatssteun per Nederlandse film minder dan een derde bedraagt en dat de staatsteun per hoofd van de bevolking met 2,23 euro veel lager is dan alle omringende landen. Een nog iets kleiner land als Denemarken - met een vergelijkbare regering met gedoogsteun - heeft een veel hogere staatsteun per capita van 8 euro.

Wanneer je dus de internationale concurrentiepositie van Nederlandse film producent analyseert steekt deze nogal negatief af ten opzichte van haar Europese collegaís; lagere staatsteun gecombineerd met een kleinere thuismarkt en een veel lager deel van de opbrengsten aan de kassa. Daarbij helpt onze taal niet om ook nog opbrensten uit andere landen te verkrijgen. Zelfs de Vlamingen houden er niet van. En sommige landen kennen ook nog eens een quota systeem waarmee de lokale film industrie beschermd wordt. Maar nog een hele belangrijke reden waarom de Nederlandse producent niet goed kan concurreren met zijn Europese collegaís, is dat landen als bijvoorbeeld BelgiŽ, Luxemburg, Ierland en de UK zogenaamde taxshelters kennen en wij niet.

Door het ontbreken van een industriebeleid dat probeert de filmbranche als onderdeel van de economie te stimuleren, zijn wij niet aantrekkelijk als partner voor internationale coproducties. Nederlandse producenten brengen (te) weinig voordelen met zich mee in verhouding tot haar Europese concurrenten waardoor het bijna onmogelijk is om buitenlandse coproducenten en daarmee geld te vinden in het buitenland voor Nederlandse films. Daardoor kunnen we ook geen grote internationale coproducties naar Nederland halen. Enige ambitie om te groeien als branche wordt daarmee onhaalbaar.

Doordat de ons omringende landen een dergelijke regeling allemaal wel kennen is de film industrie daar enorm gegroeid terwijl tegelijkertijd hierdoor een aantal postproductie en facilitaire bedrijven in Nederland hun deuren gesloten hebben. Deze ontwikkeling raakt niet alleen de filmsector maar de gehele audiovisuele industrie. De technische know how bij deze bedrijven is immers van belang voor de productie van content in de breedste zin: voor zowel bioscoopfilm, televisie, reclamefilms en games. Een kaalslag in de fiere handelsnatie van weleer.

Alle tax shelters in de ons omringende landen werken op basis van het terugkrijgen van een percentage van de bestedingen aldaar en dit loopt op van 25 tot 60 procent. Besteedt je 1 miljoen euro in zoín land dan krijg je minimaal een kwart terug. Bij invoering in Nederland zouden alle Nederlandse films hun geld nog meer dan nu aan in Nederland gevestigde personen cq bedrijven gaan besteden, met als gevolg extra financiering waardoor meer films geproduceerd kunnen worden. Zowel films waarin de Nederlandse producent een majoritaire positie heeft als waarin hij minoritair is. Omdat de Nederlandse producent hierdoor interessanter wordt als internationale coproducent kan Nederland dan ook eindelijk meer geld uit het Europese subsidie fonds Eurimages ontvangen wat zijn Europese collegaís dankzij hun taal en tax shelters al wel jaren voor elkaar krijgen. Tot nu toe stopt Nederland immers meer geld in dit fonds dan we eruit ontvangen. Hoewel het is verbeterd de laatste tijd, is het saldo over alle jaren nog steeds negatief.

Het gaat bij tax shelters om substantiŽle bedragen. In BelgiŽ is er in 7 jaar bijvoorbeeld meer dan 270 miljoen euro aan Belgische bestedingen gefaciliteerd. In Luxemburg in 7 jaar 140 miljoen. Dit zijn extra bestedingen die anders niet hadden plaatsgevonden en waarover dus ook weer belastingen zijn betaald. Doordat de films die ermee extra gerealiseerd worden ook weer meer omzet realiseren bij bioscoopexploitanten , distributeurs, videotheekhouders, dvd winkels, video on demand aanbieders, pay tv en free tv kanalen wordt hier ook weer belasting afgedragen. Daarmee leidt een dergelijke introductie dus tot een economisch vliegwiel die daarnaast technische know how in Nederland houdt en zorgt voor een meer gelijkwaardige concurrentie positie van de Nederlandse producent in Europa.

Ik begon mijn verhaal door te zeggen dat het goed ging met de Nederlandse film en dat er eigenlijk ruimte is in de markt voor meer Nederlandse films maar dat die niet gemaakt konden worden door ontbrekende financiering. Een marktaandeel van 15 procent lijkt voldoende maar landen als Frankrijk en Denemarken kennen een marktaandeel van circa 30 procent voor de nationale films. Een aardige groeipotentie zou ik zeggen wanneer Nederland een tax shelter zou invoeren.........

Het-gaat-goed-met-de-Nederlandse-film-Pleidooi-voor-een-Nederlandse-Tax-Shelter.pdf



16-05-2011