Süskind - vanaf 19 januari in de bioscoop

Media

Dat waar je niet over spreekt..

Een uitgebreide versie van de column van San Fu Maltha in 'De God van Nederland'.

Dat waar je niet over spreekt...

Met deze zin begon in 1974 de uitermate succesvolle AVRO televisieserie ‘De Stille Kracht’ naar het boek van Louis Couperus. “En het is overal: het schuilt in de grond, het sist in de vulkanen, het komt aanwaaien met verre winden, het ruist aan met de regen, het rolt aan met de donder, het zweeft van ver uit de horizon over de eindeloze zee… “ Net zoals iedereen zat ik als jongen van 16 aan de buis gekluisterd. Als de Nederlands opgevoede zoon van een Chinees-Indische moeder waande ik me voor het eerst in een spannende, exotische en betoverende wereld. Onbekend en toch voelde ik me ermee verbonden.

Dit hoewel onze Indische erfenis zich beperkte tot Indisch eten, de botol tjebok op de wc, het daagse baden -in tegenstelling tot de heersende gewoonte in die tijd - en Maleise woorden als pisang, katjang, obat (medicijn) en oepil (neusvuil). Natuurlijk was ik wel bekend met het fenomeen goena goena; de mysterieuze stille kracht waar Indische mensen heilig in geloven, een onderwerp waar je niet mee mocht spotten. Maar zoals alle andere Indo’s werden we geleerd om vooral niet op te vallen door je zo Nederlands mogelijk te gedragen, keurig op je beurt te wachten en beter je best te doen dan die ‘belanda’s’. En eigenlijk wilde onze Nederlandse vader liever niet dat we met de kinderen van die vier andere Indische gezinnen in het dorp omgingen.

Maar met die melkkleur van mijn dorpsgenoten in de jaren zestig en zeventig, mijn nogal exotische naam en mijn door exzeemzweren en onwelriekende teerzalf besmeurde huid bleek het al snel moeilijk te zijn om niet op te vallen. Ook had ik al snel door dat als je keurig op je beurt wachtte er niets meer over bleef. Ik ben dan ook regelmatig uitgescholden, achternagezeten en vechtpartijen waren soms onvermijdelijk. Tijdens de middelbare schooltijd bleef het beperkt tot het geweigerd worden in bepaalde cafe’s. En een vriendin die het met mij uit moest maken van haar vader omdat die “geen vuile poepchinees” in de familie wilde. Desondanks was ik het anders zijn eigenlijk al weer vergeten totdat De Stille Kracht op televisie kwam.

Pleunie Touw was niet de eerste vrouw die naakt op de Nederlandse televisie verscheen, dat was immers al in 1967 (Phil Bloom) gebeurd. Maar wel met een erotische kracht die zijn weerga niet kende. Als closet homo beschreef Couperus deze erotiek in zijn boek vanuit de ogen van Leonie/Pleunie: “zijn mooie, slanke dierlijkheid en het gloeien van zijn verleidersoogen in het schaduwbruin van zijn jonge Morengezicht, de krullende zwelling van zijn zoenlippen met het jonge dons van zijn knevel; het tijgersterke en lenige van zijn Don-Juanleden: het vlamde haar alles tegen, zodat zij de ogen knipte”. In de serie ging het echter volledig om haar. Met als apotheose de badkamerscene waarin Leonie onder het bessensap/bloed komt te zitten. Pleunie deed menig mannenhart en andere delen danig kloppen. Opvallend daarbij was dat het hierbij ging om seks tussen een blanke getrouwde vrouw en getinte minnaars. Terwijl het bijvoorbeeld in de Engelse literatuur veelal ging om ‘White Misschief’.

Toch wordt hier niet heel diep op ingegaan in de serie of in het boek. Terwijl uit deze gemengde contacten tussen blanke mannen en inlandse vrouwen, eigenlijk de ontstaansgeschiedenis van die grote maar inmiddels bijna vergeten Indische gemeenschap te danken is. Vanaf de souvereiniteitsoverdracht tot en met 1964 kwamen circa 350.000 mensen uit het voormalige Nederlands Indië aan in Nederland. De meesten met een Islamitische Indonesische oermoeder. De zogenaamde njai, een inlandse vrouw afkomstig uit de kampong die vanwege het mannenoverschot in de kolonie gedwongen cq ‘overtuigd’ werd om naast huishoudelijke activiteiten ook activiteiten in de slaapkamer te verrichten. Gedwongen als gevolg van slavernij, overtuigd vanwege de armoede. Een huwelijk met zo’n niet-christelijke vrouw was echter lang verboden. Trouwde de man toch, dan verloor hij toendertijd het recht om terug te keren naar Nederland. De wet die vermenging van de culturen moest tegengaan, werkte het concubinaat in de hand. Het gevolg hiervan was een steeds grotere gemeenschap van al dan niet erkende halfbloedkinderen.

Overigens waren zelfs de erkende ondanks deze erkenning en daarmee het Nederlands staatsburgerschap in eerste instantie niet welkom waren in het door de Tweede Wereldoorlog geteisterde Nederland. Zij zouden immers heel ongelukkig worden omdat ze zich niet zouden kunnen aanpassen. Terwijl zij er juist alles aan deden om zo snel mogelijk zo blank en Nederlands mogelijk te worden.

Pas bij nalezing van het boek en herbekijken van de serie besef ik dat Couperus een dergelijke nakomeling van een Nederlandse man en een inlandse vrouw een grote rol laat spelen. En zie ik dat De Stille Kracht meer is dan goena goena en erotiek: “een kracht met name te zien in de ogen van de Javaan en het knaagt als een vergif van vijandschap aan lichaam, ziel en leven van de Europeaan. Stil bestrijdt het deze overwinnaar, heel langzaam sloopt het hem, laat hem verkwijnen en tenslotte sterven”. In dit boek dat nota bene geschreven is in 1900 voorspelt Couperus een naderende ondergang van het koloniale Nederlands-Indië die samenvalt met een opleving van de Islam. Zijn hoofdpersoon Van Oudijck accepteert deze stille kracht pas wanneer het te laat is en hij alles verliest: geld, aanzien, macht en de hoop op eeuwige, onverstoorde liefde.

Het noodlot. Van Oudijck als symbool voor Nederland. Zoals Wouter de Koning schrijft op Couperus.nl: “Een koloniale overheersing die voor het grootste deel schijn was. Met een onverwerkt koloniaal trauma en een tempo-doeloe verlangen naar iets wat er wellicht nooit is geweest. En een koloniale strijd met alleen verliezers”. Iets wat met de komende verfilming door Paul Verhoeven iets is waar juist over gesproken moet, en niet vergeten mag worden. Djangan Loepah.

12-07-2012